Welke aspecten van het brandbeveiligingsysteem moet het bevoegd gezag zelf controleren/inspecteren?
Een brandbeveiligingsinstallatie is functioneel als deze effectief een brand weet te controleren of blussen. De normen en voorschriften waartegen een inspectie-instelling een brandbeveiligingsinstallatie toetst, beschrijft ook een aantal essentiële randvoorwaarden hiervoor op het gebied van bouwkunde, organisatie (bv. gebruik, goederen, stapeling) en overige installaties.
Het inspectieprotocol VVB-09 dat door de inspectie-instellingen wordt gehanteerd beschrijft de afbakening van de inspecties geaccrediteerde inspectie-A-instellingen.
Het bevoegd gezag kan zich bij het toezicht op de naleving van de vergunning baseren op het inspectierapport van de geaccrediteerde inspectie-A-instelling, voor zover het over dezelfde aspecten gaat. Het bevoegd gezag kan nagaan of de uitgangspunten die zijn vastgesteld in de vergunning en het Uitgangspuntendocument (UPD) ook worden gehanteerd. Het bevoegd gezag kan besluiten zelf een diepgaand onderzoek te doen naar de juistheid van de door de inspectie-instelling uitgevoerde inspectie. Het bevoegd gezag moet zich realiseren dat de inspectie door de geaccrediteerde inspectie-A-instelling een momentopname is.
In ieder geval moet het bevoegd gezag toezien op de naleving van de aspecten van de vergunning die niet bij de periodieke inspectie van de inspectie-instelling aan de orde komen. Het is van belang om als bevoegd gezag periodiek aandacht te besteden aan de naleving van voorschriften op het gebied van organisatie (deskundigheid, procedures, noodplan etc.) en gebruik (stoffen, vakindeling etc.) van de opslagvoorziening.
Afhankelijk van het naleefgedrag kan de frequentie van inspecties namens de overheid worden vastgelegd.
